Thoracic Outlet Syndroom (TOS)

In het gebied bij de scalenuspoort, in de ruimte tussen de eerste rib en het sleutelbeen en de okselpoort kan de vaatzenuwbundel (de rode streng met gele rand) bekneld raken.Wat is het?

Het Thoracic Outlet Syndroom (TOS) is een verzamelnaam voor aandoeningen waarbij de vaatzenuwbundel in het schoudergebied bekneld is geraakt. Bij de vaatzenuwbundel komen zowel bloedvaten en zenuwen op hetzelfde punt samen. De vaatzenuwbundel kan ik dit gebied op drie plaatsen bekneld raken: bij de scalenuspoort, in de ruimte tussen de eerste rib en het sleutelbeen en bij de okselpoort.

Andere namen voor deze aandoeningen zijn het schoudergordelsyndroom, en het neurovasculair compressie syndroom. Neuro betekent zenuw, vasculair wil zeggen dat het de vaten betreft en compressie betekent verdrukking of beknelling.

Door druk op de zenuw ontstaan klachten zoals pijn in de schouder die uitstraalt naar de arm en de hand. Vaak is er ook sprake van uitstralende pijn naar de nek en het achterhoofd. Daarnaast kan er ook sprake zijn van prikkelingen en een slapend gevoel in de arm of hand. Bij sommige mensen treedt er krachtverlies op wanneer ze de armen boven de schouders houden.

Een koud gevoel van de arm en bleekheid van de huid kunnen het gevolg zijn van een beknelling van de slagader.
Zwelling en een gespannen gevoel van de arm, blauwe verkleuring van de hand en het opzwellen van oppervlakkig liggende aders, wijzen op beknelling van de ader.

Kenmerkend voor deze klachten is dat deze meestal ontstaan bij werkzaamheden waarbij de armen hoger dan de schouders worden gebracht: bijvoorbeeld bij het ophangen van de was, witten van plafonds, op een schoolbord schrijven of het haar opsteken.


Waardoor kan het komen?

Dit syndroom kan op verschillende manieren ontstaan. Het kan spontaan optreden of het gevolg zijn van een ongeval. Ook een langdurig verkeerde houding kan de symptomen veroorzaken. Soms zijn werkomstandigheden van invloed op het ontstaan, bijvoorbeeld wanneer u langdurig met de armen boven het hoofd werkt.
Ook door werken met neerhangende schouders, zoals typen op een laaggeplaatst toetsenbord, kan de symptomen opwekken. Dit soort houdingen vernauwen de ruimte waar de vaatbundel doorheen loopt.

Bij sommige mensen is de ruimte tussen de eerste rib en het sleutelbeen altijd wat vernauwd. Dit kan komen door bijvoorbeeld de aanwezigheid van extra ribben in de hals, misvorming van de eerste rib of een sleutelbeenbreuk die in slechte stand genezen is. Deze lichamelijke afwijkingen verhogen de kans op het Thoracic Outlet System.

Bij 90 procent van de patiënten wordt het syndroom veroorzaakt door beknelling van de armzenuwen. Bij de overige 10 procent zijn er afwijkingen in het (slag)aderlijke stelsel door directe beschadiging van de ondersleutelbeenader en –slagader.


Hoe wordt het vastgesteld?

De diagnose Thoracic Outlet Syndroom is moeilijk te stellen. Er zijn geen objectieve criteria waarmee de aandoening aangetoond kan worden. Dat betekent dat de diagnose gebaseerd is op lichamelijk onderzoek en het persoonlijke verhaal van de patiënt over de voorgeschiedenis en symptomen.

Het is daarom belangrijk dat de patiënt de klachten zo goed mogelijk omschrijft. Hierbij is het belangrijk dat hij aangeeft onder welke omstandigheden, bij welke bewegingen en houdingen de klachten optreden.

Er zijn geen laboratoriumtests of vaatfoto's die het syndroom met zekerheid kunnen aantonen.

Bij (zeldzame) complicaties van het aderlijke of slagaderlijke stelsel zijn vaatfoto's wel zinvol.


Wat kan helpen?

De behandeling is in de eerste plaats gericht op een betere houding. Hiervoor zijn bijvoorbeeld hou- dingscorrigerende oefeningen en oefentherapie Cesar of Mensendieck geschikt.

Een fysiotherapeut kan de beweeglijkheid van de schouder bevorderen. Maar de spieren mogen door fysiotherapie niet versterkt worden, dan wordt de ruimte voor de vaatzenuwbundel nog nauwer.

Ergotherapie levert soms ook goede resultaten op. Een ergotherapeut bekijkt de werk- zit- en slaaphouding en geeft adviezen voor verbetering hiervan.

Als therapieën geen resultaat hebben en er geen afwijkingen in de bouw van het lichaam zijn, kan de arts besluiten operatief in te grijpen. De keuze voor een operatie wordt pas gemaakt als de pijn het bewegen ernstig belemmerd. Er wordt niet snel voor een operatie gekozen is omdat de klachten na de operatie vaak terugkomen of zelfs verergeren.

Bij een operatie wordt de eerste rib verwijderd, eventueel samen met de spieren die aan de eerste rib zijn vastgehecht. Zo ontstaat er genoeg ruimte voor de vaatzenuwbundel.

Bij beschadigingen aan het slagaderlijke stelsel is het verwijderen van de eerste rib altijd noodzakelijk.

Risico's van de operatie
Veel patiënten krijgen na een operatie min of meer ernstige klachten terug.

Deze klachten kunnen de volgende oorzaken hebben:

  • Een andere aandoening. De oorspronkelijke klachten werden niet veroorzaakt door beknelling van de armzenuw of arm(slag)ader, maar door een andere aandoening. De operatie is dan eigenlijk voor niets geweest. Dit kan soms gebeuren doordat de diagnose TOS nooit helemaal met zekerheid te stellen is.
  • Beschadiging aan zenuwen. Bij de operatie raken soms zenuwen beschadigd of moeten zelfs doorgesneden worden. Dit veroorzaakt klachten als ongevoeligheid van de okselhuid, pijn in de borst of pijn in het schoudergebied. Ook operatie-instrumenten veroorzaken soms ongemerkt extra beschadigingen aan de zenuw of (slag)ader.
  • Achterblijven deel van rib. Als de rib niet geheel verwijderd is, kan het achterblijvende deel opnieuw voor beknelling zorgen.
  • Verlittekening. Na de operatie kunnen achtergebleven bloedstolsels gaan verlittekenen. Wanneer dit rond de zenuw of (slag)ader gebeurt, ontstaan opnieuw beknellingen.
  • Achtergebleven beenvlies. Bij het verwijderen van de rib moet ook het beenvlies meegenomen worden. Wanneer een deel van het beenvlies na de operatie achterblijft, kan daaruit weer een soort nieuwe rib groeien die voor beknelling zorgt. U merkt dit aan het terugkomen van de klachten nadat u eerst een half tot een heel jaar klachtenvrij bent geweest. In die tijd is de nieuwe ‘rib' teruggegroeid. Een tweede operatie is dan nodig om de klachten opnieuw te verhelpen. Deze complicatie komt slechts zelden voor.


Wie kan helpen?

Een oefentherapeut Cesar of Mensendieck kan helpen met het verbeteren van de houding. Verder kan een fysiotherapeut de beweeglijkheid van de schouder verbeteren.

Behandeling door een ergotherapeut levert soms ook goede resultaten op. Een ergotherapeut bekijkt de werk- zit- en slaaphouding en geeft adviezen voor verbetering hiervan.

Als een operatie nodig is, wordt deze uitgevoerd door een specalist zoals chirurg.


Ermee leven

Het kan over het algemeen geen kwaad om met deze aandoening aan het werk en in beweging te blijven. Bij hevige pijnklachten en bewegingsbeperking van de schouder kunnen bepaalde werkzaamheden echter moeilijk zijn zodat sommige mensen zich misschien kortdurend ziek melden.

Het is over het algemeen gunstiger voor het herstel om naar het werk te blijven gaan en het werk tijdelijk aan te passen. Hiervoor kan overleg met de leidinggevenden of de bedrijfsarts nuttig zijn. Als werken tijdelijk niet lukt, is het raadzaam om wel contact te houden met collega's en leidinggevenden.

Iemand die zich niet ziek meldt, kan wel een afspraak maken met de bedrijfsarts of de bedrijfsverpleegkundige om de problemen op het werk te bespreken. Misschien is het mogelijk om met kleine aanpassingen aan het werk te blijven. Informatie over het open spreekuur kunt u krijgen bij de arbodienst van uw werk.
De bedrijfsarts en de huisarts kunnen informatie uitwisselen om de begeleiding optimaal op elkaar af te stemmen, maar nooit zonder toestemming van de patiënt.
Tegenwoordig is het wettelijk geregeld dat zowel de werkgever als de werknemer zich moeten inzetten voor hervatting van werk (‘Wet Verbetering Poortwachter').

Online bronnen: De Hart & Vaatgroep

Gerelateerde onderwerpen